‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’. Een liedje wat ik als kind al leerde. ‘Nu gaan de bloemen nog dood…’ En dieren. En mensen. Nu is er nog honger, oorlog en pijn. Maar straks: dan begint een leven zonder dissonanten. Alleen maar liefde, vrede en geluk.
Een mooi vooruitzicht. Maar gaandeweg begon het me te irriteren. Dat ‘Stil maar, wacht maar…’ Alsof hier en nu nou eenmaal niets anders is dan ellende, en machteloos toekijken. Voel je je ongelukkig? Blijf je hangen in je zonde? Kan de dokter maar niet vinden welke ziekte je hebt, laat staan welk middel je beter maakt? Maak je geen zorgen: alles wordt op een dag nieuw. Dan ben je er *poef* helemaal vanaf. Voor altijd met God in ‘de hemel’. Waar dat dan ook mag zijn.
Ik leerde christenen kennen die geloven dat de rijke beloften van Jezus niet alleen gelden voor het Leven ná dit leven, maar dat ze ook vandaag al beschikbaar zijn voor ons. Genezing, herstel, helemaal vervuld zijn van Gods liefde, een bron zijn die overloopt, een fontein, zoals Jezus bijvoorbeeld schetst in Johannes 7. Daar wilde ik voor gaan, dat was pas een vooruitzicht!
Afstand
Daar kwam nog iets bij. Toen mijn vader overleed – ik was 19 jaar oud – ervoer ik een enorm grote afstand tussen mij aan de ene kant en mijn vader, God, hemel en ‘eeuwig leven’ aan de andere kant. Ik voelde me niet getroost door het feit dat mijn vader gelukkig in de hemel was. Ook voelde ik me niet boos op God dat hij hem van me afgenomen had. Ik voelde leegte, afwezigheid, eenzaamheid, verlorenheid. Had het gevoel dat mensen om mij heen dat niet begrepen.
Tot ik het boekje ‘Niets dan de waarheid’ las, van Adrian Plass. Daar vond ik eindelijk herkenning, en een sprankje hoop. In mijn zoektocht naar wat nu wel en niet een betrouwbaar beeld is van wat me na dit leven te wachten staat, wees mijn vrouw me op Jezus die aan het kruis tegen de moordenaar zegt: ‘Heden zult gij met mij in het paradijs zijn.” Dat was een tekst waar ik houvast bij vond. En nog. Zo’n mooi beeld: een overduidelijke zondaar, die niets meer goed kan maken in dit leven, keert zich naar Jezus om hulp, en Hij zegt drie dingen: HEDEN zult gij MET MIJ in het PARADIJS zijn. Ok, dan is het goed. Geen tussenfases. Bij Jezus. En in het paradijs. Dat is een beeld waar ik me aan kan overgeven. Geen vragen meer.
Vastgelopen
Maar toch kon ik me zo weinig voorstelling maken van het leven na dit leven, dat ik me steeds meer ging focussen op dít leven. Wat er straks komt, zie ik dan wel. En wie daar zullen zijn en wie niet. Een oordelende God, daar kreeg ik steeds meer moeite mee. Als er leven na dit leven is, dan zal dat toch voor iedereen zijn? Jezus stierf toch voor de zonden van de hele wereld? Maar wat dan te doen met die teksten over oordeel? Ook dit probleem zorgde ervoor dat ik het onderwerp maar parkeerde. Liet voor wat het was.
Maar met al mijn goede voornemens voor dít leven merk ik dat ik steeds meer ben vastgelopen. Ik ben toch gedoopt? Ik heb toch mijn leven aan Jezus gegeven? Waarom merk ik dan zo weinig van dat nieuwe leven? Waarom kost alles zoveel moeite? Zijn die beloften wel betrouwbaar? Zijn er voorwaarden? Moet ik eerst gedisciplineerd stille tijd houden? Eerst gaan leven naar mijn goede voornemens? Maar dat lukt me juist zo slecht. Zo glij ik steeds verder onderuit in de blubber van de twijfels, en slibt mijn geloof langzaam maar zeker dicht.
Recent werd ik opnieuw geconfronteerd met mijn oude vijand. Ik merkte dat ik liederen als ‘Er is een dag, waar al wat leeft al lang op wacht, een dag van blijdschap, als heel de schepping wordt bevrijd’ me steeds meer ging tegenstaan. Juist omdat zoveel christenen om mij heen er zoveel hoop en kracht uit leken te putten. Weer die ‘stil maar, wacht maar’ mentaliteit. Ik wil hier en nu het nieuwe leven ervaren! Dus ik probeerde dat lied in het licht van het hier en nu te zien. Maar wat merk ik nu van al die mooie beloften? Het lijkt wel of het leven alleen maar moeizamer wordt. Al die aardbevingen (Haïti), overstromingen (Pakistan) en oorlogen (Afghanistan). En dichterbij de worstelingen in mijn eigen leven. Mijn oude mens, die ik maar zo moeizaam aan het kruishout laat spijkeren. Of eigenlijk helemaal niet.
Dat bracht me op het punt dat ik me steeds meer realiseerde: als ik het geloof in het volmaakt goede leven ná dit moeizame leven eraan geef, dan ben ik overgeleverd aan wat dít leven me te bieden heeft. En dat blijkt steeds meer tegen te vallen. Zo wordt de horizon steeds donkerder. Waar kan ik nog op hopen? Welke belofte is betrouwbaar? Waar kan ik in geloven? Met andere woorden: zonder het perspectief op de ‘eeuwigheid’ raakt mijn geloof langzaam maar zeker uitgeblust.
Wake-up call
Mijn definitieve wake-up call had ik onlangs, terwijl ik het boek ‘Jezus, zoals ik Hem niet kende’ las, van Philip Yancey. Ik hoop door dat boek weer dichter bij Jezus te komen. In een hoofdstuk over de zaligsprekingen (Gelukkig zijn de ongelukkigen) raakt Yancey de gevoelige snaar, als hij de vraag opwerpt of dit niet een goedkope verkiezingsbelofte is. Een fijne bemoediging voor de ongelukkigen van deze wereld dat een beter leven wacht ná dit leven. Zo voelt het wel eens voor mij. Beloof maar dingen voor ná dit leven, dat kan toch niemand controleren. Maar Yancey vertelt dat hij gaandeweg tot het inzicht kwam dat de zaligsprekingen zowel relevant zijn in dit leven (als een soort ‘natuurwetten’) als ook geldingskracht hebben als werkelijke beloning die in het vooruitzicht wordt gesteld.
Terecht schetst hij het perspectief dat de wérkelijk ongelukkigen (slaven, vervolgde christenen, veroordeelden in de Goelag archipel), die écht helemaal niets van dit leven te verwachten hebben. En hoe verschillend blanken en zwarten in het leven staan aan het einde van de rit, in een bejaardentehuis: blanken – na een succesvol leven – klagend en in toenemende mate bang en angstig voor de dood, maar zwarten vrolijk en vol humor, hoewel zij veel meer reden tot klagen hadden. Het verschil: de hoop die zij hadden op grond van hun rotsvaste geloof in ‘de hemel’. Yancey: “Ik ben ervan overtuigd dat voor deze verwaarloosde heiligen, die leerden God te verwachten en te genieten ondanks de moeilijkheden in hun leven op aarde, de hemel meer zal lijken op een langverwachte thuiskomst dan op een bezoek aan een nieuwe plaats.” Jaloersmakend…
Het brengt me ook weer even terug bij het verhaal van de chinese vervolgde christenen, zoals indringend beschreven in Randy Alcorns roman ‘Thuiskomst’. Ik schreef er ooit een liedje over, naar aanleiding van een kernvraag in het boek: wat nu als dit de laatste dag is van mijn leven? Voor mij voelt dat vooral bedreigend. Maar voor de hoofdpersoon in dat boek betekent dat écht: een einde aan het lijden, en eindelijk thuiskomen.
Lucht
Ik merkte dat ik tijdens het lezen van Yanceys boek echt het gevecht met mezelf aan moest gaan: geloof ik dit nu, of niet? Pratend met mijn vrouw kwam ik weer terug bij Jezus aan het kruis, en zijn belofte: Heden, met mij, in het paradijs. En ik heb het idee dat ik door het diepste punt heen ben. Dat ik me er weer aan kan overgeven.
Terwijl ik dit schrijf luister ik – toevallig? – naar Johnny Cash’ ‘My mothers hymn book’. Hoe toepasselijk: het album is vergeven van de hoop op een beter leven na de aardse worstelingen, bijvoorbeeld in I am a pilgrim:
“I am a pilgrim and a stranger,
traveling through this wearisome land,
I’ve got a home in that yonder city, good Lord,
and it’s not, not made by hand.”
Het is niet zo dat ik nu ineens helemaal terug kom bij ‘stil maar wacht maar…’ Ik verlang nog steeds ernaar om Gods koninkrijk van liefde en herstel al in dit leven te zien. Om er het één en ander van mee te maken. Om er deel van te zijn en het te leven. Om er vol van te zijn en ervan uit te delen. Maar ik ervaar wél dat juist vertrouwen op vervulling van die hoop in het leven straks, me ruimte geeft om weer te hopen op en geloven in de vervulling in het hier en nu.
Mijn geloof heeft weer lucht. Ik kan weer ademhalen.