“In de Bijbel wordt er geen nadruk gelegd op waarheid als een ‘ding’. Het gaat veel meer om waarheid als werkwoord (de waarheid ‘doen’) en waarheid als bijwoord: ‘waarlijk’ kennen.”
Aldus filosoof James K.A. Smith in een bijdrage in CV-koers deze maand, in een artikel met de kop ‘Postmoderne kritiek is heilzaam’. Voor de kerk, namelijk. Een kerk die te veel ingepakt is door (‘moderne’) verlichtingsideeën: “Vaak legt men een verband tussen de zogenaamde ‘bijbelse’ waarheid en de ‘logische’, voor iedereen inzichtelijke waarheid. Ben je het daar niet mee eens, dan ben je dus een relativist.”
Postmodernisme wordt volgens Smith ten onrechte vaak weggezet als puur relativisme. Hij vindt juist dat de kerk haar eigen benadering van ‘waarheid’ eens kritisch onder de loep zou moeten nemen. “Zij zien waarheid als logisch, objectief, zeker, algemeen, enzovoorts. Ook dat is typisch modern. In de Bijbel echter (…) is waarheid een ‘hoe’, niet een ‘wat’. De waarheid kennen is niet hetzelfde als weten dat Jezus ‘waar’ is.”
Deze uitspraken zijn mij uit het hart gegrepen. Ik ben opgegroeid in een kerk die zich ‘de ware kerk’ noemde. Waar men moest beamen dat er ‘de ware en volkomen leer’ wordt verkondigd. En waar het begrip ‘geloven’ in de praktijk meer te maken had met ‘kennis’ dan met ‘vertrouwen’, als in Iemand met Wie je een relatie hebt vertrouwen. De bijbel werd er ‘van kaft tot kaft’ als waarheid aangenomen. En dat werd met name benadrukt om aan te geven dat dat elders níet het geval was. De angst voor het hellend vlak.
Nog even Smith: “Laten we het christelijk geloof niet primair opvatten als een set van ware geloofsopvattingen en dogma’s, maar als een manier van gericht zijn op de wereld, waarbij deze gerichtheid is aangeraakt en getransformeerd door Gods liefde.” Dat vind ik mooi gezegd. Persoonlijk lees ik de bijbel ook niet als een ideologisch totaalwerk, of als een handboek vol regels voor hoe ik vandaag precies moet denken en leven.
Ik geloof dat de bijbel Gods Woord is. Maar dan niet in de zin van ‘letterlijke, universeel geldende, voor één uitleg vatbare opdrachten’. Nee, méér dan dat: het lévende Woord van God. Hij woont als het ware in deze woorden. Hoewel hét Woord van God natuurlijk Jezus zelf is. Dat geeft voor mij ook al gelijk een hierarchie aan van al die woorden in de bijbel.
Om het met een beeld te zeggen dat onze voorganger Aart me afgelopen zondag aanreikte: Jezus is onze spiegel. En de bijbel zit vol met spiegels. Zoals ook Jakobus dat beeld gebruikt: “Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: hij ziet zichzelf, maar zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. Wie zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet (= Woord van God) die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt – hem valt geluk ten deel, juist om wat hij doet.” (Jak 1:23-25)
Hier stijgt een beeld uit op van een relatie, van communicatie, interactie. Er gebeurt iets met je als je de bijbel leest. Het doet iets met je. God doet iets met je. Hij gaat in je aan het werk met Zijn Geest. Hij daagt je uit. Hij geeft het goede voorbeeld. Hij laat zien wie Hij is – en wie wij zijn. Zijn liefde, en onze zelfzucht. En de uitweg daaruit, om vol te worden van Zijn liefde, en zo naar de wereld om ons heen te kijken als Hij deed en doet: “Want alzo lief…” enz. Jezus zelf zegt het zo tegen Pilatus (zie afbeelding), die zich afvraagt: ‘Wat is waarheid?’: “Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.” (Joh 18:38)
Zo wordt de bijbel het levende, levendmakende Woord. En dat maakt toch veel rijker dan het kloppend maken van (schijnbaar) tegenstrijdige bijbelteksten, en het alles vatten in een overkoepelende (wetenschappelijke) theorie? Dat is wat de theologie maar al te vaak doet. Wat mij betreft doet zo’n wetenschappelijke benadering de bijbel per definitie tekort. Het geeft teveel antwoorden en stelt te weinig vragen. En het stelt zich daardoor niet meer open voor wat Jezus door zijn Geest vandáág wil zeggen. Tegen mij.
Dus als ik iets tegenkom waarvan ik denk ‘dat klopt toch niet?’, of ‘dit sla ik liever even over’, dan is dat vaak God zelf, die me iets wil duidelijk maken. Die me wil bijsturen als ik uit de bocht vlieg, links of rechts. Als ik te ver doorschiet in mijn logische redeneringen. Als een Herder die zijn schapen steeds bijstuurt, stap voor stap. Laat mij dan maar het schaap zijn, die het overzicht niet heeft, maar wel vertrouwend op de Herder zijn weg gaat.
